Tagarchief: Biodiversiteit

Kortrijk wil zowel publiek als privaat potentieel aanboren. Van bosarme regio naar grootste bos van Vlaanderen?

tuincoach_bis
Lees het gehele artikel

We polsen naar de initiatieven die, de specifieke omstandigheden van zijn of haar stad of gemeente indachtig, ten behoeve van natuurbeleving, groenbeheer of biodiversiteit worden genomen. Ditmaal trekken we naar de Groeningestad.

In 2007 werd Bert Herrewyn voor het eerst gemeenteraadslid in Kortrijk. Zes jaar later kreeg hij als schepen de bevoegdheid over Milieu, Klimaat, Biodiversiteit en Natuur, een rol die hij ook in deze legislatuur vervult. Dat Kortrijk vandaag een van de meest bosarme regio’s in Vlaanderen is, stelt een bijzondere uitdaging voor de schepen die zich inzet voor het versterken van biodiversiteit in en rond de stad.

Met oog op de biodiversiteit wordt ingezet op het versterken van bestaande boskernen zoals het Preshoekbos.

Bestaande boskernen versterken

Kortrijk beheert in totaal zo’n 220 hectare groen, van parken en plantsoenen tot enkele meer omvangrijke groenpolen aan de rand van de stad. In de huidige legislatuur wil Herrewyn daar 100 hectare natuur en bos aan toevoegen. “Dat is een ambitieuze, maar haalbare doelstelling. Op ons grondgebied zijn er namelijk nog 350 hectare gronden die ofwel al voor natuur bestemd zijn maar nog niet ingericht, ofwel het potentieel daarvoor hebben. Daar gaan we stelselmatig mee aan de slag, beginnende met de versterking van bestaande boskernen. Onder meer rond het Preshoekbos en in het Interfluvium bekijken we al actief welke gronden in aanmerking komen, welke we nog moeten verwerven en welke we eventueel moeten
herbestemmen.” 

Bert Herrewyn is schepen voor Milieu, Klimaat, Biodiversiteit en Natuur in Kortrijk.

Groen netwerk tot in de stadskern

Ziet de ambitie om 100 hectare extra natuur te creëren haar invulling vooral in de rand van de stad, dan wil Herrewyn de boost in biodiversiteit ook uitdrukkelijk tot in het centrum doortrekken. “Daarvoor is meer nodig dan inspanningen van het lokaal bestuur. Sla er de cijfers maar eens op na. Kortrijk mag dan wel arm zijn aan bosgebied, inzake private tuinoppervlakte zitten we met 11,7% van ons domein ver boven het Vlaams gemiddelde van 8%. Het is zelfs meer dan het gemiddelde aandeel bos in Vlaanderen. Wetende dat de meeste tuinen vandaag maar weinig ecologisch ingericht zijn, schuilt daar dus nog een enorm potentieel. Cru gesteld: als iedereen één vierkante meter in zijn tuin omvormt tot natuur, hebben we het grootste bos van Vlaanderen.”

Gerichte ondersteuning

Ingrijpen in de private eigendom van zijn burgers kan Herrewyn uiteraard niet; de drempel verlagen wel. In navolging van de renovatiecoach lanceerde Kortrijk vorig jaar dan ook de tuincoach. “Veel mensen willen wel stappen nemen om de biodiversiteit in hun tuin te ondersteunen, maar weten niet hoe. Of ze vrezen dat het niet te combineren valt met de morfologie van hun tuin of andere wensen zoals speelruimte, een terras… Met de tuincoaches – een team van vijf professionele tuindeskundigen – geven we hen gratis advies, op maat van hun wensen en hun tuin, opdat ze vervolgens zelf of via een tuinaannemer tot realisatie kunnen overgaan.”

Veel gezinnen gaven al gevolg aan het advies van de tuincoaches.

De oorspronkelijke doelstelling om tijdens de huidige legislatuur 500 tuinen naar een meer natuurvriendelijke invulling te begeleiden, zal alvast geen probleem vormen. Een jaar na de lancering zijn er al meer dan 500 aanvragen ingediend en verschillende realisaties opgeleverd. “Het groot aantal aanvragen toont de bereidwilligheid van de burger om aan een biodiverse stad bij te dragen. Om daar goed op te kunnen antwoorden, doen we dit jaar een nieuwe oproep naar geïnteresseerde deskundigen. We willen ons team van tuincoaches verdubbelen.”  

Zes tips voor een stabiel ecosysteem – Plantenassortiment voor meer biodiversiteit

PCS proeven of sfeerfoto – © PCS (211) kopiëren
Lees het gehele artikel

Het creëren van meer diversiteit in beplanting bevordert die biodiversiteit en maakt van tuinen en openbaar groen belangrijke stapstenen om leefgebieden van diersoorten in stand te houden.

Knopbloeiers versus open bloem.

Tussen planten en dieren bestaat een sterke onderlinge wisselwerking. Zo trekken planten insecten en vogels aan op basis van hun voedselaanbod en positie, geur, kleur en bloeiperiode, en passen insecten en vogels zich hieraan aan inzake levenscyclus, uitvliegperiode, uiterlijke kenmerken, voedselnood en zintuigen. 

Voor bestuivers kan er een onderscheid gemaakt worden tussen generalisten, zoals honingbijen, die hun pollen/nectar vinden bij meerdere plantensoorten, en specialisten, die maar op één of enkele soorten vliegen. Specialisten zijn daardoor kwetsbaarder voor veranderingen zoals het verdwijnen van de plantensoort of aanpassingen in de bloeitijd. 

Natuurwaarden behouden

Bij aanvang van de ontwerpfase is een inventarisatie van de reeds aanwezige biodiversiteitswaarden – volgroeide nuttige plantensoorten, nestplaatsen van vogels of insecten, de aanwezigheid van bepaalde zoogdieren zoals egels – aangeraden. De biodiversiteitswaarde van volgroeide plantensoorten is immers aanzienlijk hoger dan deze van jonge, pas aangeplante exemplaren, en het loont dus om deze te behouden. Indien toch een aanpassing nodig is, werk dan gefaseerd en voorzie een migratietijd voor de aanwezige diersoorten.

Frangula alnus: interessant voor zowel bijen, vlinders als vogels.

Structuurdiversiteit

Een gelaagde beplanting met zowel een gras- of kruidlaag, als een zoomlaag met vaste planten, een struiklaag en een boomlaag zorgt voor de schuil- en overwinteringsplaatsen die veel diersoorten nodig hebben. Ook verschillende hoogteniveaus zijn interessant. Zo hebben heel wat vlindersoorten behoefte aan lichtplekken en luwten voor temperatuurregeling, een hellingsgraad om zich te verplaatsen en bomen of struiken om te overwinteren.

Standplaats

Een plant kan maar kwalitatief tot ontwikkeling komen en de biodiversiteit positief beïnvloeden op de juiste standplaats (bodemtextuur, pH, lichtbeschikbaarheid). Een één-op-één vervanging louter omwille van het vergelijkbare uitzicht, zoals bijvoorbeeld met buxus en Ilex crenata gebeurt, is dus geen goed idee en leidt potentieel tot ziekten en plagen. Als alternatief is er een groot gamma groenblijvende vormheesters, waaronder Osmanthus, Lonicera, Taxus, Euonymus, Phyllerea en ook de buxus zelf als bijenvriendelijke plant. Essentieel is alvast: de juiste plant op de juiste plaats.

Inheemse soorten

Op inheemse plantensoorten komen veel meer insectensoorten voor dan op uitheemse. Daarnaast zijn de zogenaamde specialisten bij de bestuivende insecten bijna exclusief geassocieerd met inheemse plantensoorten. Ook voor bloemrijke zaadmengsels blijkt dat mengsels met inheemse soorten een hoger biodiversiteitspotentieel hebben dan deze met uitheemse soorten. Inheemse soorten vormen, met andere woorden, een sterke basis voor een biodiversiteitbevorderend beplantingsplan. 

Naarmate de standplaats meer extreem wordt – bedrijventerreinen, stadstuinen, verharde wegen, groendaken… – gedijen inheemse soorten vaak minder goed en kan een aanvulling met uitheemse soorten wel een oplossing bieden. Ook bij het creëren van een jaarrond bloeiboog kunnen uitheemse soorten als mooie aanvulling dienen. Let in ieder geval wel op voor de invasiviteit van bepaalde soorten! Raadpleeg daarvoor de website van Ecopedia.

Voorjaarsbloei met Erica en verschillende boomsoorten.

Bloem- en bloeikarakteristieken

Terwijl vlinders enkel nectar nodig hebben, behoeven bestuivende insecten naast deze voedingsbron ook pollen voor de opbouw van honinggraten. Niet onbelangrijk: die middelen moeten bereikbaar én op het juiste moment voorradig zijn.    

In een vast plantenborder kan Nepeta x ‘Faasinii’ bijvoorbeeld nectar voorzien en Aster verschillende soorten pollen. Andere soorten produceren dan weer beide, met afhankelijk van de soort verschillende hoeveelheden pollen en nectar. Informatie op soortniveau is beschikbaar via Honeybee Valley, al treden ook tussen verschillende cultivars soms variaties op. Onderzoek naar de diversiteit in vlindersoorten per plantensoort wees dan weer uit dat deze zeer laag was. Een hoge diversiteit in plantensoorten moet hier het
voedselaanbod vergroten.

Opdat pollen en nectar ook effectief bereikbaar zijn voor de insecten, genieten open, enkelbloemige soorten of cultivars de voorkeur boven dubbelbloemige soorten en zogenaamde knopbloeiers. De bloemknoppen van de Calluna ‘Garden Girls’ gaan bijvoorbeeld niet open, en deze knopbloeier draagt zodoende weinig bij aan de biodiversiteit. Dat terwijl verschillende andere Calluna vulgaris cultivars met hun open bloemen wel een grote meerwaarde bieden voor bestuivende insecten, mede door hun late bloeitijdstip.

Want ook dat verdient aandacht: bestuivende insecten hebben het hele jaar door voedsel nodig, te realiseren met een beplantingsplan met een bloeiboog van het vroege voorjaar tot het late najaar. Handig om weten is dat ook de bloeiperiode van verschillende cultivars binnen één soort kan verschillen. Het mengen van cultivars kan dus de bloeiperiode van een vakbeplanting verlengen zonder het uitzicht te veranderen. Voor vogels kan gewerkt worden met een bessenkalender, waarbij de voedselvoorziening zoveel mogelijk gespreid en gediversifieerd wordt.

Tijdens de zomer is er veel diversiteit beschikbaar, met onder meer diverse rozencultivars.

Herkomst plantmateriaal

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is een van de oorzaken van de achteruitgang van biodiversiteit in bestuivende insecten. Ondanks het verbod op neonicotinoïden worden vandaag nog regelmatig andere werkzame stoffen aangetroffen op planten die als bijenvriendelijk verkocht worden. Zekerheid krijg je maar bij kwekerijen die inzetten op duurzaamheid en zo weinig mogelijk tot geen gewasbeschermingsmiddelen gebruiken, gestaafd door kwaliteitslabels zoals VEGAPLAN, MPS-ABC, Global Gap of bio.

Specifiek voor bloemenmengsels geldt naast duurzame teelt ook de lokale herkomst van zaden als aandachtspunt. Wordt in bloemenmengsels met inheemse soorten zaadmateriaal afkomstig van andere Europese regio’s gebruikt, dan kan de bloeitijd van de planten namelijk verschillen. Specialisten die hun uitvliegperiode op een bepaalde bloeitijd afstemmen, zullen hun voedsel zo dus mislopen.