Tagarchief: DLV

Met of zonder vergunning?

verharding_tuinpad kopiëren
Lees het gehele artikel

Als tuinaanlegger word je vaak gevraagd om zwemvijvers, terrassen, serres, enzovoort aan te leggen. Maar vaak staat men niet stil of hierbij nu een vergunning nodig is of niet. Ook voor tuinbouwers is het vaak onduidelijk waarvoor men een vergunning nodig heeft. In dit artikel geven we een korte samenvatting van wanneer en onder welke voorwaarden je een vergunning moet aanvragen en wanneer niet.

Vrijstelling van vergunning

Een van de basisprincipes binnen het omgevingsrecht stelt dat alle stedenbouwkundige handelingen vergunningsplichtig zijn. Het vrijstellingenbesluit, opgesteld door de Vlaamse Regering in 2010, voorziet in een uitzondering hierop. Onder bepaalde voorwaarden zijn stedenbouwkundige handelingen vrijgesteld van vergunning. Hieraan zijn wel heel wat voorwaarden gekoppeld. Hieronder sommen we er enkele voor je op.

Toepassingen voor tuinaanleggers

Een terras, zwembad of zwemvijver is een verharding. Deze verhardingen mogen door de bouwheer aangelegd worden zonder vergunning tot maximaal 80 m2, met alle bestaande verhardingen inbegrepen. Verhardingen die strikt noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld een gebouw te kunnen bereiken, zijn wel vrijgesteld van vergunning. Belangrijk om weten is dat ook steenslag en kunstgras gezien worden als verharding.

Voorts mag men naast een correct vergunde woning ook nog een tuinberging, serre, garage of poolhouse plaatsen met een maximale oppervlakte van 40 m2, met inbegrip van alle bestaande bijgebouwen. Onder bepaalde voorwaarden is het ook mogelijk om, mits een vergunning, bijkomend nog een hobbystal voor paarden bij te zetten.

Toegangspoorten en afsluitingen tot een hoogte van twee meter zijn ook vrijgesteld van vergunning. Een uitzondering hierop is dat gesloten afsluitingen in de voortuin enkel vrijgesteld zijn voor een hoogte van maximum één meter.

De plaatsing van allerhande kleine tuinconstructies zoals tuinornamenten, brievenbussen, barbecues en speeltoestellen zijn vrijgesteld van vergunningsplicht.

De hierboven opgesomde vrijstellingen zijn enkel geldig wanneer deze worden uitgevoerd binnen een straal van dertig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw. Bovendien mag er geen vergunningsplichtige functiewijziging worden doorgevoerd en moet het aantal woongelegenheden ongewijzigd blijven. De vrijgestelde handelingen zijn niet mogelijk in ruimtelijk kwetsbaar gebied.

Toepassingen voor tuinbouwers

Voor tuinbouwers zijn constructies die dienen voor de teelt of bescherming van landbouwgewassen, zoals hagelnetten, vrijgesteld van vergunning. Een uitzondering hierop zijn hagelkanonnen, glasconstructies en gebouwen: deze zijn niet vrijgesteld van vergunningsplicht. Daarnaast zijn ook duurzame constructies die na de teelt blijven staan, zoals kappen die de aardbeienteelt moeten beschermen, vergunningsplichtig. Constructies die na de oogst verwijderd worden zijn niet vergunningsplichtig.

Ook sleufsilo’s voor bijvoorbeeld de opslag van groenafval zijn vrijgesteld van vergunningsplicht. Let op: er moet wel een omgevingsvergunning worden aangevraagd, maar enkel met een millieuluik, een stedenbouwkundig luik is hier niet nodig. De voorwaarde voor deze vrijstelling is dat deze opgericht worden binnen een straal van vijftig meter van een gebouwencomplex, en dat er geen afvoer voorzien wordt naar de openbare riolering.

Andere toepassingen

Het vellen van bomen is in veel gevallen vergunningsplichtig. Enkel binnen bosgebied, waar het logisch is dat je zal herbebossen, heb je geen vergunning nodig. Buiten bosgebied is het vellen van een boom in een zonevreemd bos wel vergunningsplichtig. Het vellen van een solitaire boom in woongebied, agrarisch gebied of industriegebied is ook altijd vergunningsplichtig, behalve als die op minder dan vijftien meter van een woning staat.

Het aanmerkelijk wijzigen van het bodemreliëf is ook vergunningsplichtig. Vroeger stond hierop een maat: alles wat meer dan vijftig centimeter opgehoogd of afgegraven werd, was vergunningsplichtig. Nu is dit vervangen door een kwalitatief criterium: alle ophogingen of afgravingen die ‘aanmerkelijk’ zijn, zijn vergunningsplichtig. Hierbij moet gekeken worden naar de implicaties van de ingreep op het terrein.

Verder is het mogelijk dat de gemeente een eigen regelgeving heeft over vergunningsplicht. Een gemeente kan bijvoorbeeld extra voorwaarden opleggen, of de vergunningsplicht verruimen via een stedenbouwkundige verordening of via een RUP of BPA. Om problemen te vermijden, ga je dit best eens na bij de dienst omgeving van je gemeente.

Gevolgen van een niet-vergunde constructie

Wanneer je een constructie geplaatst hebt en deze valt onder de regelgeving van het vrijstellingenbesluit, is dit geen probleem. Echter, wanneer je een onvergunde constructie plaatst die hier niet onder valt, bijvoorbeeld een bijgebouw groter dan 40 m² of niet-strikt noodzakelijke verharding die een oppervlakte heeft groter dan 80 m², kan dit wel voor problemen zorgen.

Indien er een vergunning aangevraagd wordt om te bouwen, onderzoekt de stad of gemeente automatisch de vergunningstoestand van de site. Als er constructies staan die in overtreding zijn, kan dit een latere vergunningsaanvraag
bemoeilijken.

Bovendien is het mogelijk dat een bepaalde constructie een derde (bijvoorbeeld een buur) kan hinderen. Deze buur kan dan klacht indienen wegens overlast. Bij een onvergunde constructie is het mogelijk dat je dan de bouwinspectie op je dak krijgt. Ook kan de bouwinspectie per toeval op deze bouwovertreding terechtkomen. In deze gevallen zal je als eigenaar een waarschuwing krijgen om de constructie te verwijderen. Als dat niet gebeurt, kan een sanctie volgen in de vorm van een administratieve geldboete of een strafrechtelijke vervolging via het parket.

Ga dus altijd na of de constructie al dan niet vrijgesteld is, want een correct vergunde constructie heeft enkel maar voordelen, zowel voor jou als voor je klant. Als studie- en adviesbureau kan DLV je steeds bijstaan bij
je vergunningsaanvraag.  

Een handig overzicht van de regels – Vergunningsplicht bij afsluitingen en omheiningen 

DLV-3 kopiëren
Lees het gehele artikel

Maar wist je dat dit niet steeds zomaar kan? Je bent immers gebonden aan bepaalde regels als je je afsluiting wil plaatsen zonder omgevingsvergunning. We zetten de geldende voorwaarden even op een rijtje. 

Soorten afsluitingen

Vooreerst wordt er onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten afsluitingen. Zo heb je enerzijds open afsluitingen en anderzijds gesloten afsluitingen. Onder open afsluitingen vallen de afsluitingen in draad of draadgaas. Al de rest wordt gezien als een gesloten afsluiting, dus ook ericamatten, steenkorven of houten tuinschermen vallen onder gesloten afsluitingen.

Open houten omheining rond een woning.

Tuinindeling

De mogelijkheden zijn ook verschillend naargelang de indeling van je tuin. De voortuin is het gedeelte dat voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw ligt. De zijtuin is het gedeelte dat ter hoogte van een zijgevel ligt. En de achtertuin is het tuingedeelte dat geen voor- of zijtuin is. Dit lijken slechts kleine verschillen, maar ze hebben wel degelijk een groot effect naar mogelijkheden toe.

In de zij- en achtertuin van een woning zijn alle afsluitingen toegelaten tot een hoogte van maximaal twee meter, op voorwaarde dat deze zich niet verder dan dertig meter van de hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning bevinden. Dit geldt dus voor zowel gesloten als open afsluitingen. Het plaatsen van bijvoorbeeld houten tuinschermen op meer dan dertig meter van de woning, is bijgevolg niet mogelijk zonder omgevingsvergunning.

Toegangspoorten en open afsluitingen zijn toegelaten tot een hoogte van twee meter, zowel in de voortuin als in de zij- en achtertuin. Deze mogen zich wel verder dan dertig meter van de hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning bevinden. Je mag je volledige domein dus zonder omgevingsvergunning omringen met een open afsluiting van maximaal twee meter hoog.

Gesloten afsluitingen tot een hoogte van één meter in de voortuin zijn eveneens toegelaten. Dit mag ook verder dan dertig meter van de hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning. Dat impliceert dat een gemetselde afsluiting of houten schutting in de voortuin slechts één meter hoog mag zijn, indien je deze plaatst zonder omgevingsvergunning.

Open afsluiting voor paardenweides.

De ligging

Ten derde zijn de mogelijkheden ook nog eens afhankelijk van de ligging van de site. Is de site bijvoorbeeld gelegen in een verkaveling of een Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) die het voorzien van afsluitingen uitdrukkelijk verbiedt, dan kan je geen enkele afsluiting voorzien zonder omgevingsvergunning. Vrijgestelde handelingen zijn immers pas mogelijk wanneer deze handelingen niet in strijd zijn met de voorschriften van gewestelijke, provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen. Je kan eventueel wel een omgevingsvergunning aanvragen om hiervan af te wijken.

Indien je in het verleden reeds een vergunning gekregen hebt waarin uitdrukkelijk de plaatsing van de afsluitingen uitgesloten of beperkt werd, dan kan je ook geen gebruik maken van bovenstaande en heb je altijd een omgevingsvergunning nodig voor het plaatsen van een omheining. Vrijgestelde handelingen zijn immers maar mogelijk wanneer deze handelingen niet in strijd zijn met de uitdrukkelijke voorwaarden van omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen.

Als je over een weide beschikt en je wenst deze te voorzien van een mooie afsluiting, dan kan dit ook zonder omgevingsvergunning, indien het gaat om een open afsluiting of om een open afsluiting met dwarslatten. Deze mag maximaal twee meter hoog zijn. Dit is echter niet mogelijk in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied.

Heb je plannen om een afsluiting of omheining te plaatsen, maar weet je niet zeker of je nu al dan niet een omgevingsvergunning nodig hebt? Laat je bijstaan door de adviseurs van DLV om de mogelijkheden te bekijken en jouw plan te realiseren.   

Niet voor elk zwembad is een vergunning nodig

Zwembad kopiëren
Lees het gehele artikel

Duidelijke regels voor waterpret in eigen tuin

Voor wie verkoeling zoekt in zijn eigen tuin, is de algemene regel heel simpel: een vergunning voor het plaatsen van een zwembad is niet nodig als je rekening houdt met enkele voorwaarden.

Tekst Ineke Denys, DLV    |    Beeld Dreamstime

Overdekt of niet-overdekt?

In het vrijstellingsbesluit van 16/07/2010 wordt beschreven dat het plaatsen van niet-overdekte constructies in zij- en achtertuin toegelaten is. Hou er wel rekening mee dat de totale oppervlakte aan verharding die vrijgesteld is in de tuin beperkt is tot een maximum van 80 m². De oppervlakte van de woning en de noodzakelijke toegangswegen voor het betreden van de woning, de garage of een woningbijgebouw, worden hier niet in meegeteld. De constructie moet geplaatst zijn binnen een straal van 30 meter van de vergunde of hoofdzakelijk vergunde woning, en de afstand tot de perceelgrens moet minimaal 1 meter zijn. Is er reeds een bestaande scheidingsmuur, dan mag de constructie ook hiertegen aangebouwd worden en hoef je dus geen rekening te houden met de afstand van 1 meter.

Ben je meer geneigd om een overdekt zwembad te plaatsen? Ook dan kan je je beroepen op het vrijstellingsbesluit en hoef je geen vergunning aan te vragen. Hier zijn de voorwaarden nog iets strikter. Voor het plaatsen van een overdekte constructie is de maximaal toegelaten oppervlakte beperkt tot 40 m² in plaats van 80m². Ook hier worden alle aanwezige overdekte constructies in de zij- en achtertuin samengeteld en mag de totale oppervlakte niet meer dan 40 m² bedragen. De constructie die men wil plaatsen is ook in de hoogte beperkt tot maximum 3,5 meter hoog. De afstand tot de perceelgrens wordt voor overdekte constructies opgesplitst naar minstens
1 meter in de achtertuin en minstens 3 meter in de zijtuin. Ook hier ben je verplicht de constructie op te trekken binnen een straal van 30 meter rondom de bestaande woning.

Wat met bestaande gebouwen?

Een oude schuur of leegstaand woningbijgebouw kan perfect ingericht worden als poolhouse of binnenzwembad. Voor de verbouwingswerken zonder stabiliteitswerken en met louter een wijziging aan zijgevels, achtergevels en daken, ben je vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning. Hou er rekening mee dat het fysiek bouwvolume niet mag wijzigen en dat er ook geen woongelegenheid in mag ondergebracht worden. Wel is er vaak een functiewijziging voor het gebouw noodzakelijk. In deze gevallen is er dus wel sprake van de aanvraag van een omgevingsvergunning. Enkel indien het gebouw al als woningbijgebouw werd vergund, is het aanvragen van een functiewijziging niet nodig. Doe je wel een vergunningsaanvraag, dan zijn de mogelijkheden voor de verbouwingswerken veel ruimer.

Reliëfwijziging

Beperk je je plannen tot het uitgraven van een zwemvijver of siervijver, dan is er meestal ook sprake van extra verharding en zijn de bovenstaande voorwaarden eveneens van toepassing. Enkel werken met een reliëfwijziging kleiner dan 30 m³ zijn vrijgesteld van een vergunning wanneer de  hoogte of diepte over de volledige oppervlakte kleiner is dan een halve meter. Hier moet je er wel rekening mee houden dat de aanvraag zich niet situeert in ruimtelijk kwetsbaar, erosiegevoelig of mogelijk of effectief overstrominggevoelig gebied. De reliëfwijziging mag evenmin leiden tot het geheel of gedeeltelijk dempen van grachten of waterlopen.

Om je te kunnen beroepen op het vrijstellingsbesluit mag de aanvraag volgens het gewestplan niet gesitueerd zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied. Afhankelijk van het gebied waarin de aanvraag volgens het gewestplan gesitueerd is, zijn de mogelijkheden ruimer of beperkter. Het is dus zeker interessant om eerst het gewestplan te raadplegen vooraleer je stappen onderneemt.

Andere wetgeving

Ook de lokale regelgeving kan extra voorwaarden opleggen omtrent het aanleggen van een zwembad. Naast het gewestplan is het dus zeker aangewezen om ook de lokale regelgeving (RUP, PRUP, APA, BPA…) even door te nemen.

En wat met de milieuvergunning? Ook hiervan ben je vrijgesteld indien het zwembad enkel voor privégebruik dient. Wil je het samen met je logies aanbieden aan je klanten, dan moet je wel rekening houden met de vooropgestelde maatregelen.

Heb je plannen om een zwembad te plaatsen, maar kan je je niet beroepen op het vrijstellingsbesluit omdat de voorwaarden te beperkt zijn? Informeer je dan bij onze DLV-adviseurs om alle mogelijkheden te onderzoeken en je plannen
te realiseren.
  

‘Zonevreemd’ hoeft heus geen drama te zijn

img_1780-kopieren
Lees het gehele artikel

Leegstaande hoeves bieden veel mogelijkheden

Mensen die graag buiten bezig zijn, kiezen dikwijls voor het platteland, weg van de drukte, waar er nog ruimte is om je woning en tuin écht vorm te geven. Soms valt dan het woord ‘zonevreemd’. Wat is dat? Waarvoor moet je uitkijken? Welke vergunningen heb je nodig, als je bijvoorbeeld in een leegstaande hoeve een B&B wil uitbaten?

‘Juiste bestemming’

Volgens de definitie is een onroerend goed zonevreemd wanneer het ‘volgens het geldende plan niet in de juiste bestemming ligt’. Die geldende plannen zijn gewestplannen, de algemene of bijzondere plannen van aanleg, of de ruimtelijke uitvoeringsplannen die door de overheid opgemaakt worden. Deze verdelen het Vlaamse grondgebied in woongebieden, agrarische gebieden, industriegebieden, recreatiegebieden, enzovoort. Er zijn echter nog heel wat verfijningen van deze hoofdgebieden, en regio-gebonden nuances. 
Hoewel de eerste indeling in gewestplannen al dateert van 1972, waren er toen al historische situaties waardoor bedrijven bijvoorbeeld opeens in woongebied kwamen te liggen en woningen in landbouwgebied. Ze worden met andere woorden zonevreemd.

De tijdloze charme van een oude gevel.

 

Niet langer automatisch

Het is mogelijk om als niet-landbouwer in hoofdberoep in landbouwgebied te wonen indien de gebouwen correct vergund zijn. Wens je echter uit te breiden, te verbouwen, te herbouwen of de functie van een gebouw te wijzigen, dan dient dit te gebeuren conform de voorwaarden opgenomen in de ‘zonevreemde wetgeving’. Het is dan ook aangeraden om je vooraf goed te informeren als je zonevreemde plannen hebt.

De mogelijke nieuwe functies voor landbouwgebouwen worden opgelijst in het zonevreemde functiewijzigingsbesluit. Zo zijn er mogelijkheden naar kantoorfunctie, opslagfunctie en plattelandstoerisme toe, maar ook bijzondere toepassingen voor erfgoedgebouwen. Een veel gebruikte toepassing is het wijzigen van de functie van hoevegebouwen (landbouw) naar een residentiële woonfunctie om vervolgens de zonevreemde wetgeving te kunnen toepassen.

Vroeger was het in de praktijk gangbaar dat er bij de desaffectatie van een hoeve, door het stopzetten van de agrarische bedrijvigheid, automatisch gebruik gemaakt werd van de zonevreemde wetgeving, zonder dat er een functiewijziging aan te pas kwam. Sinds kort treedt men hier streng tegen op. Op basis van omzendbrief RO 2017/01 moet de zonevreemde functiewijziging naar particulier gebruik immers aangevraagd worden, alvorens van de zonevreemde wetgeving gebruik gemaakt kan worden. Met deze vergunningsplicht wil de overheid de mogelijkheid creëren om te oordelen of de functiewijziging geoorloofd is voor de site. Dit om leegstaande hoeves die nog een gebruikswaarde hebben voor de land- en tuinbouw maximaal voor de landbouwsector voor te behouden, alsook om de goede ruimtelijke ordening af te toetsen. Ook tracht men zowel het zonevreemd gebruik als het bijkomend ruimtebeslag en de verhardingsgraad zoveel mogelijk terug te dringen. De vergunningsplicht van deze zonevreemde functiewijziging wordt extra onder de aandacht gebracht rekening houdende met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, ook bekend als de zogenaamde ‘betonstop’.

Verruiming

Om wenselijke zonevreemde activiteiten op juridisch verankerde wijze (tijdelijk) toe te staan, werd eind 2019 het ontwerp van het Instrumentendecreet goedgekeurd. Eén van de tools die hierin opgenomen zijn, is de toepassing van activiteitenconvenanten en -contracten.

De bedoeling van deze tool is kleinschalige en niet-agrarische economische activiteiten die niet binnen het functiewijzigingenbesluit vallen tijdelijk mogelijk te maken, hoewel de planologische bestemming toch behouden kan blijven.  Bijvoorbeeld: een meergezinswoning of een kapsalon in agrarisch gebied.

De regeling is als volgt geconcipieerd: eerst moet er een convenant zijn tussen de gemeente en het Vlaamse Gewest, waarin het beleidskader (de minimale vereisten, het werkingsgebied… ) wordt neergeschreven. Vervolgens kan de burger met de gemeente een contract afsluiten waarin concrete afspraken worden gemaakt, dit binnen het kader van het toepasselijke convenant.  Het contract met de gemeente kan maximaal tien jaar gelden.  Om in aanmerking te komen voor een activiteitencontract moet het gebouw of het gebouwencomplex waarin de activiteit wordt uitgeoefend effectief bestaan, niet verkrot en hoofdzakelijk vergund zijn. Daarnaast moet de constructie gelegen zijn aan een voldoende uitgeruste weg en bouwfysisch geschikt zijn voor de nieuwe activiteit.

Een leegstaande hoeve in agrarisch gebied biedt dus op heden, maar zeker ook in de toekomst, veel mogelijkheden voor – al dan niet tijdelijk – andere functies dan landbouw. De mogelijkheden gelden voor bestaande gebouwen en zijn divers, waardoor aan te raden is om eerst en vooral je wensen en noden, of die van je klant, op een rij te zetten alvorens gebouwen te slopen. Bespreek je plannen daarom zeker met een deskundige, zodat ze getoetst kunnen worden aan de wettelijke mogelijkheden.

Vragen? Contacteer een DLV-adviseur via info@dlv.be of via het gratis nummer 0800 90 910.   

Verslik u niet in uw zwembad

verharding_tuinpad-kopieren
Lees het gehele artikel

Reglementen bestuderen vermijdt mogelijke miserie

De zomer is in het land en zwembaden, terrassen en dies meer worden in grote aantallen aangelegd. Tegels bestellen en beginnen maar? Zo eenvoudig is het niet altijd.

Voor het aanleggen van verharde constructies in de tuin is een omgevingsvergunning in principe verplicht. Gelukkig is er ook in bepaalde gevallen een vrijstelling van deze vergunning mogelijk, al zijn hier wel enkele voorwaarden aan verbonden. Wij zetten ze voor jou op een rijtje.

Verharding zwembad.

 

Strikt noodzakelijke vs niet strikt noodzakelijke toegang

De strikt noodzakelijke toegang en opritten tot de woning zijn vrijgesteld voor het aanvragen van een vergunning. Algemeen wordt aangenomen dat een wandelpad maximaal 1,5 meter breed mag zijn. Een oprit mag maximaal 3 meter breed zijn. Wil je echter extra parkeerplaats creëren in je voortuin – naast de oprit –, dan zul je hiervoor wel een vergunning moeten aanvragen. Dit is namelijk geen noodzakelijke toegang naar de woning.

De aanleg van een niet strikt noodzakelijke toegang kan zonder vergunning als deze beperkt blijft tot 80 m² en op voorwaarde dat deze aangelegd wordt in de zijtuin en/of de achtertuin. De reeds bestaande, niet overdekte constructies moeten meegeteld worden bij de berekening van deze maximale oppervlakte van 80 m². Voorbeelden van niet overdekte constructies zijn terrassen, siervijvers, zwembaden, petanquebanen, enzovoort.

De vrijstelling geldt enkel voor constructies die:

– geen bouwvolume hebben,

– niet hoger dan 1,5 meter boven het maaiveld komen,

– op 1 meter van de perceelgrens blijven, minder dan 30 meter van de woning verwijderd zijn,

– niet in kwetsbaar gebied liggen.

In principe is de tussenkomst van een architect verplicht wanneer je werken uitvoert waarvoor je een omgevingsvergunning nodig hebt. De aanleg van verhardingen, openluchtzwembaden, siervijvers en dergelijke is echter vrijgesteld van de medewerking van een architect.

Houd er ook rekening mee dat iedere gemeente strengere voorschriften kan uitvaardigen dan de regels die hierboven beschreven staan. Is een project bijvoorbeeld gelegen in een verkaveling, bekijk dan zeker eens de verkavelingsvoorschriften. Wellicht staan hier ook vereisten met betrekking tot de verharding. Bovendien hebben sommige gemeenten vrijgestelde handelingen wel meldingsplichtig gemaakt. Je tijdig informeren is dus van belang!   

Zonevreemd uitbreiden als tuinaanlegger

tuinaanlegger_-kopieren
Lees het gehele artikel

Je wil als tuinaanlegger je zaak uitbreiden en gaat langs bij de gemeente om te bespreken welke mogelijkheden er zijn; de dienst Stedenbouw weet je te vertellen dat een uitbreiding niet kan, omdat je bedrijf zonevreemd gelegen is. Dan is het mogelijk om via een planologisch attest je bedrijf zone-eigen te maken en toch uit te breiden.

Ieder perceel in Vlaanderen heeft met de invoering van het gewestplan eind jaren ’70 een bepaalde bestemming gekregen. Enkele voorbeelden hiervan zijn woongebied, agrarisch gebied, industriegebied, natuurgebied, enzovoort. Later zijn de Bijzondere Plannen van Aanleg (BPA) ingevoerd en vandaag spreken we over Ruimtelijk Uitvoeringsplannen (RUP). Het doel van deze BPA’s en RUP’s is/was om de verouderde gewestplannen te actualiseren. Die BPA’s en RUP’s zijn echter niet dekkend voor heel Vlaanderen; vaak moet men terugvallen op het gewestplan om de bestemming van een perceel te achterhalen.

Afhankelijk van die bestemming, is een bedrijf zone-eigen of zonevreemd. Zone-eigen wil zeggen dat het bedrijf zich in de juiste zone bevindt: een landbouwbedrijf in agrarisch gebied, een staalfabriek in industriegebied, en zo meer. Voorbeelden van zonevreemde bedrijven zijn een lokale bakker in industriegebied, maar evengoed een tuinaanlegger in agrarisch gebied. (Terzijde: een misvatting die vaak voorkomt, is dat mensen het woord ‘zonevreemd’ associëren met ‘niet-vergund’. Alle constructies op een bedrijfssite kunnen correct vergund zijn, maar toch kan het bedrijf zonevreemd gelegen zijn.) Concreet betekent dit dat tuinaanleggers pas zone-eigen zijn in woongebied en gebieden voor ambacht en KMO’s.

Een bedrijf dat vandaag gelegen is in de juiste bestemming, maar wil uitbreiden in zonevreemd gebied, kan – als de uitbreidingswensen de ruimtelijke draagkracht niet overstijgen – gebruikmaken van een planologisch attest.

Als de bevoegde overheid een planologisch attest goedkeurt, is ze verplicht om een RUP op te maken. In de wetgeving is opgenomen dat er maximum één jaar na afgifte van een planologisch attest adviezen opgevraagd zijn over de startnota van het RUP. In mensentaal betekent dit dat de bevoegde overheid de procedure voor het opstarten van een RUP niet links kan laten liggen.

Wetgeving

Om als bedrijf in aanmerking te komen voor het aanvragen van een planologisch attest, moet er aan een van deze twee voorwaarden voldaan zijn:

• het bedrijf is onderworpen aan de milieuvergunningsplicht of meldingsplicht;

• het gaat over een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf.

Om als tuinaanlegger in aanmerking te komen, moet het bedrijf dus onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht of meldingsplicht, aangezien tuinaanlegactiviteiten niet kunnen beschouwd worden als activiteiten van een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf.

Om een planologisch attest te kunnen aanvragen is het essentieel dat alle constructies voor een normale bedrijfsvoering vergund of vergund geacht zijn, ook wat de functie betreft. Tot deze constructies behoren niet alleen de gebouwen op de site, maar ook verhardingen, inrichtingen (mazouttank, compressoren, …).

De beschrijvende nota

Voor het aanvragen van een planologisch attest moet er een goed onderbouwde nota worden opgesteld. De inhoud van deze nota beschrijft enerzijds de algemene werking van het bedrijf en anderzijds de ruimtelijke behoefte ervan op korte en lange termijn. Het is belangrijk dat de bestendiging van de functie of de geplande uitbreidingen de draagkracht van de omgeving niet overstijgen. Ook een goede landschappelijke integratie speelt een belangrijke rol in de beoordeling.

Bijkomend moet er een document worden opgesteld – en worden goedgekeurd door Vlaanderen – dat de milieueffecten (op water, lucht, landschap, …) van het bedrijf op de omgeving beschrijft. De toestand voor en na het toekennen van het planologisch attest wordt in kaart gebracht.

Als het bedrijf volgens de wetgeving in aanmerking komt voor een planologisch attest, is de eerste stap in de procedure een afspraak maken met de bevoegde overheid die de aanvraag zal behandelen. Er wordt immers niet begonnen aan een planologisch attest als er geen medewerking vanuit de bevoegde overheid komt of als er geen kans tot slagen is.

Wie wil weten of zijn bedrijf in aanmerking komt voor een planologisch attest, contacteert best een adviseur van DLV. Dat kan via info@dlv.be of via het gratis nummer 0800 90 910.