De toekomstbestendige tuin bestaat niet. Of beter: hij bestaat alleen als je hem bekijkt als een geheel. Dat werd snel duidelijk tijdens de allereerste rondetafel van GreenPro, waar vijf experts uit verschillende hoeken van de sector samenkwamen. Wat begon als een ogenschijnlijk eenvoudige vraag – hoe maken we de Vlaamse tuin toekomstbestendig? – groeide al snel uit tot een genuanceerd gesprek over bodemkwaliteit, waterbeheer, verharding, machines en de rol van de klant.
Al in de eerste minuten werd de toon gezet. Thijs Schoenmakers, salesmanager recreatiegrassen bij DSV Zaden, stelde het zonder omwegen: “Kunstgras zou verboden moeten worden in particuliere tuinen.” De motivatie laat zich raden: kunstgras draagt niets bij aan een gezond bodemecosysteem, versterkt het hitte-eilandeffect in warme perioden en zorgt op termijn door slijtage voor microplastics. Toch blijft het populair, vooral bij particulieren die op zoek zijn naar een onderhoudsvriendelijke oplossing. En daar zit meteen een eerste spanningsveld: wat ecologisch wenselijk is, botst vaak met wat de klant vraagt.

Opvallend was dat verschillende deelnemers, vanuit uiteenlopende invalshoeken, tot dezelfde conclusie kwamen: de grootste fout zit niet in wat we boven de grond doen, maar eronder. Frederic Lietaer, zaakvoerder van Eliet, verwoordde het scherp: “De oplossing zit voor een groot stuk in de bodem. Daar wordt nog steeds te weinig aandacht aan besteed.”
Een slechte bodem leidt tot problemen die blijven terugkeren: slechte infiltratie, zwakke groei en een voortdurende nood aan ingrepen. Een gezonde bodem, daarentegen, zorgt voor infiltratie, buffering en veerkracht. Zonder die basis ondergraaf je zelfs de meest innovatieve oplossing.

Vanuit die bodemgedachte kwam het gesprek vanzelf bij biodiversiteit – of beter: het gebrek eraan. De klassieke, strak gemaaide tuin ligt steeds meer onder vuur. Niet omdat het per definitie fout is, maar omdat het vaak symbool staat voor een eenzijdige aanpak. “Iedereen doet hetzelfde. Daardoor verschraalt de biodiversiteit”, stelde Stijn Temmerman, commercial & export director bij Polet / De Pypere. Toch bleek ook hier nuance nodig. Een strak gazon hoeft niet per definitie slecht te zijn. De echte vraag is niet of een gazon kort of lang gemaaid wordt, maar wat er errond gebeurt. Biodiversiteit ontstaat niet door één ingreep, maar door het geheel.
Tegelijk is er een verschuiving bezig. Nieuwe mengsels met microklaver, droogtetolerante soorten en minder intensief beheer winnen terrein. Maar die omslag vraagt tijd, en ook overtuiging. Zoals Giovanni De Vent, zaakvoerder van Go Green Gardens, het scherp stelde: “Je kunt dat niet uit de mensen hun hoofd praten. Sommige klanten willen gewoon een perfect groen gazon.”

Misschien wel het meest interessante spanningsveld zat in de discussie rond verharding. Waar het publieke debat vaak focust op ontharding, kwam hier een andere nuance naar boven. “We moeten stoppen met zwart-witdenken. Het is geen groen of verharding, maar een en-en-verhaal”, stelde Jelene Verbruggen, productieverantwoordelijke bij ArtStone.
Die uitspraak vat perfect samen waar de sector vandaag staat. Want ja, we willen minder verharding. Maar tegelijk willen we ook comfort, bereikbaarheid en gebruiksgemak. Een oprit, een terras of een toegankelijk pad blijft noodzakelijk. De oplossing ligt dus niet in minder verharding op zich, maar in slimmere verharding: waterdoorlatend, bufferend en afgestemd op de ondergrond. Met andere woorden: verharding moet evolueren van probleem naar onderdeel van de oplossing.

Die nuance ontbreekt vaak in de regelgeving. Verschillende deelnemers wezen op de kloof tussen beleid en praktijk. “In regelgeving is alles zwart-wit. Verharding is verharding.” Dat leidt tot situaties die moeilijk te verdedigen zijn. Zo werd een voorbeeld aangehaald van een rolstoeltoegankelijke tuin met schelpen en beplanting, die als ‘verharding’ werd beschouwd en moest verdwijnen. Om plaats te maken voor gras…
Het illustreert een breder probleem: regelgeving is vaak gebaseerd op principes, maar houdt onvoldoende rekening met technische oplossingen en de realiteit op het terrein.

Waterbeheer was een tweede grote pijler in het gesprek. Niet alleen droogte, maar vooral piekbuien zetten tuinen en infrastructuur onder druk. De consensus was duidelijk: water moet zoveel mogelijk ter plaatse blijven. Maar hoe, dat hangt af van de situatie. “Het gaat niet meer over één oplossing. Het is een combinatie van systemen die maakt dat water op het perceel blijft.”
Wadi’s, infiltratiesystemen, infiltratieblokken, waterdoorlatende verharding en een gezonde bodem: het zijn allemaal puzzelstukken van hetzelfde verhaal. De uitdaging zit in de juiste combinatie. Opvallend is dat verharding hier opnieuw een rol speelt. Niet als obstakel, maar als buffer en vertraagde infiltratiezone.

Ook de technologische kant kwam uitgebreid aan bod. Elektrificatie wordt vaak naar voren geschoven als dé oplossing, maar de praktijk blijkt weerbarstiger. “Het aanbod is er, maar niemand koopt”, stelde Lietaer. Voor kleinere machines is de omslag al grotendeels gemaakt. Daar wegen de voordelen – minder lawaai, minder trillingen – duidelijk op tegen de nadelen. Bij grotere machines ligt dat anders. Hoge investeringskosten, beperkte autonomie en een gebrek aan vraag remmen de evolutie af. De sector zit hier duidelijk in een overgangsfase.
Daarbij komt nog een ander vraagstuk: eigendom versus gebruik. Machines worden steeds duurder en vaak slechts sporadisch ingezet. De logische oplossing – delen of huren – blijkt in de praktijk moeilijk. “Het probleem is het verdienmodel. Mensen verwachten dat delen gratis is”, aldus Temmerman.

Tussen al die evoluties door verschuift ook de rol van de tuinaannemer van uitvoerder naar adviseur. Maar dat brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Want advies betekent ook verantwoordelijkheid… en discussie met de klant. De Vent verwoordde het helder: “Je moet durven je prijs vragen. Goedkoop is duurkoop.”
Het gesprek maakte duidelijk dat de sector op dat vlak nog zoekende is. Hoe ver ga je mee in de vraag van de klant? En wanneer trek je een lijn?

Tot slot kwam de rol van de overheid ter sprake. Die werd tegelijk bekritiseerd en als noodzakelijk gezien. Niet zozeer om alles te regelen, maar om richting te geven. “Ze hoeven niet alles te sturen, maar ze moeten wel het goede voorbeeld tonen.”
Openbare ruimte kan daarin een sleutelrol spelen. Vandaag zien we nog te vaak grote, volledig verharde pleinen, terwijl die net kansen bieden om innovatieve oplossingen zichtbaar te maken.

Na twee uur debat bleef één conclusie overeind: er bestaat geen quick fix. De toekomstbestendige tuin is geen optelsom van producten of technieken, maar het resultaat van een geïntegreerde aanpak waarin bodem, water, planten, verharding en gebruik samenkomen. Of zoals het tijdens de rondetafel treffend werd samengevat: “Het begint bij de bodem. Maar alles hangt samen.” En misschien nog sterker: “Kennis hebben is macht. Kennis delen is kracht.” Dat lijkt meteen ook de grootste uitdaging voor de sector. Niet het gebrek aan oplossingen, maar het samenbrengen ervan.
De tuin van morgen zal er anders uitzien. Minder strak, minder voorspelbaar, maar wel doordachter. Niet wat we toevoegen maakt het verschil, maar hoe we omgaan met wat er al is: water, bodem, materiaal en gebruik. En vooral: hoe we samen denken, in plaats van tegenover elkaar.